​ De d's en t's

Door Eric Tiggeler

Een struikelblok van alle tijden: de werkwoordspelling. Verleden tijd met -de of -te? Voltooid deelwoord op -d of -t? Met 't ex-kofschip maak je zo de juiste werkwoordsvorm.


Hieronder nemen we de regel met je door aan de hand van twee voorbeelden: werken en wandelen.

Vraag 1: wat is de stam?

De stam van het werkwoord is wat je hoort als je de uitgang -en weglaat. Dus: de stam van werken is werk, de stam van wandelen is wandel.

Vraag 2: eindigt de stam op t, x, k, f, s, ch of p?

Beoordeel of de stam uitgaat op een van de medeklinkers uit 't ex-kofschip. Bij werken is dat het geval: werken – werkte – gewerkt (stam = werk, eindigt op –k)

Bij dit werkwoord maak je de verleden en voltooide vorm met stam + -t(e):

Tegenwoordige vorm Verleden vorm Voltooide vorm
ik werk werkte heb gewerkt
jij / u werkt werkte hebt gewerkt
hij / zij / het werkt werkte heeft gewerkt
wij werken werkten hebben gewerkt
jullie werken werkten hebben gewerkt
zij werken werkten hebben gewerk

Vraag 3: en wat als dat niet het geval is?

Als de stam niet uitgaat op t, x, k, f, s, ch of p, dan schrijf je een -d in de verleden en voltooide vorm. Dat is bijvoorbeeld bij wandelen het geval: wandelen – wandelde – gewandeld (stam = wandel, eindigt op –l).
De werkwoordsvormen zijn dus:

Tegenwoordige vorm Verleden vorm Voltooide vorm
ik wandel wandelde heb gewandeld
jij / u wandelt wandelde hebt gewandeld
hij / zij / het wandelt wandelde heeft gewandeld
wij wandelen wandelden hebben gewandeld
jullie wandelen wandelden hebben gewandeld
zij wandelden wandelden hebben gewandeld

De regels hierboven helpen je bij de verleden tijd (gewerkt) en het voltooid deelwoord (gewandeld). Twijfel je over de juiste spelling van de tegenwoordige tijd, onthoud dan dit:

bij ik hoort altijd alleen de stam: ik wandel, ik word, ik vind
niet ik? Schrijf dan stam+t: jij/hij/zij wandelt, wordt, vindt

© Taalcentrum-VU   /  Algemene voorwaarden: Trainingen - Vertalingen   /  Sitemap   /  Webdesign : RAADHUIS /  Fotografie