Wereldwijd is er vandaag aandacht voor diversiteit en een inclusieve samenleving. Ook taal speelt daarin een belangrijke rol. Taal en identiteit zijn tenslotte sterk met elkaar verweven. Dat zie je goed in de Nederlandse taal. Van straattaal tot streektaal: het Nederlands kent allerlei invloeden en varianten die iets vertellen over wie we zijn en bij welke groepen we ons thuis voelen.
Straattaal en identiteit
Straattaal is een goed voorbeeld van diversiteit in de Nederlandse taal. Jongeren in grote steden hebben hun eigen omgangstalen ontwikkeld. Daarin zie je woorden terug uit verschillende talen: denk aan doekoe (geld, uit het Sranantongo), wallah (ik zweer het, Arabisch) en dushi (schat, Papiaments).
Welke talen je terughoort, verschilt per stad en soms zelfs per buurt. Dat hangt samen met de mensen die er wonen. Zo hoor je in Rotterdamse straattaal invloeden uit het Kaapverdiaans. In Amsterdam zijn juist veel Antilliaanse en Surinaamse invloeden te horen.
Straattaal verandert bovendien voortdurend. Populaire artiesten, zoals rappers, spelen daarbij een rol. Sommige woorden raken uiteindelijk ook buiten de straattaal ingeburgerd. Denk aan patta’s (schoenen). Woorden als fittie (ruzie) en doekoe zijn zelfs in woordenboeken van de standaardtaal terechtgekomen.
Straattaal is dus geen standaardtaal, maar het is zeker geen ‘slecht Nederlands’. De manier waarop je praat, kan juist een bewuste manier zijn om te laten zien bij welke groep je hoort: taal als onderdeel van je identiteit.
Streektalen
Diversiteit zie je ook terug in dialecten en streektalen. Voordat het Standaardnederlands ontstond, hadden regio’s hun eigen taalvarianten. Ook nu nog zijn streektalen voor veel mensen een belangrijk onderdeel van hun identiteit. Denk aan het Fries, Limburgs en Nedersaksisch. Zulke talen en taalvarianten zijn meer dan een manier van spreken. Ze zijn verbonden met de geschiedenis en cultuur van een streek en vormen daarmee cultureel erfgoed.
De rol van een streektaal kan in de loop van de tijd veranderen. Het Brabants was bijvoorbeeld lange tijd zowel moedertaal als informele omgangstaal. Steeds minder Brabantse kinderen groeien ermee op. Toch hoor je het Brabants nog volop wanneer mensen elkaar ontmoeten, bijvoorbeeld bij verenigingen, tijdens het uitgaan of in muziek.
Engelse invloed
Naast straat- en streektalen heeft ook het Engels veel invloed op het Nederlands. Je komt het overal tegen: in de media, op school, in winkels en op de werkvloer. Vooral in het bedrijfsleven lijkt Engels soms de voertaal te worden. We gaan naar een meeting, bekijken een update en reageren op een post. Vooral internationale bedrijven gebruiken graag Engelse functietitels, projectnamen en vaktermen.
Engels heeft een modern en internationaal imago. Daarom duikt het regelmatig op in reclames en in het taalgebruik van jongeren. Maar invloed van het Engels gaat verder dan losse leenwoorden. Veel mensen schakelen namelijk moeiteloos tussen talen. Ze gebruiken bijvoorbeeld Nederlandse en Engelse woorden door elkaar in één gesprek of zelfs in één zin. Dat verschijnsel heet code-switching.
Taal laat zien wie we zijn
Straattaal, Engelse leenwoorden en streektalen lijken misschien heel verschillende verschijnselen. Toch hebben ze iets gemeen: ze laten zien dat taal verbonden is met de mensen die haar spreken. Als de samenleving verandert, verandert de taal mee. Mensen nemen woorden, klanken en uitdrukkingen mee en geven daar soms een eigen draai aan. Zo vertelt de manier waarop we spreken iets over waar we vandaan komen, met wie we ons verbonden voelen en wie we zijn.
Ook in geschreven taal kun je rekening houden met diversiteit. Met inclusieve taal zorg je ervoor dat zo veel mogelijk mensen zich aangesproken en gerespecteerd voelen. Wil je daar in je eigen organisatie bewust mee aan de slag? Bekijk onze workshop Inclusief schrijven.